Duimmuisspieren
Mm. adductor pollicis en opponens pollicis
Afzonderlijke spieren
In het kort
Overzicht: De kleine spieren rond de duim maken krachtige grepen en nauwkeurige pincetbewegingen mogelijk. Tot deze groep behoren de adductor pollicis en opponens pollicis, met de korte duimbuiger en duimspreider als nauw verbonden buren.
Anatomie
De adductor pollicis heeft twee koppen die de middenhand verbinden met de basis van het eerste duimkootje en ligt in de ruimte tussen duim en wijsvinger. De opponens loopt van trapezium en flexorretinaculum langs het eerste middenhandsbeen, gedeeltelijk onder de abductor pollicis brevis en tussen delen van de flexor pollicis brevis.
Functie
De adductor helpt de duim naar de hand brengen en ondersteunt krachtig grijpen en oppositie. De opponens buigt en roteert vooral het eerste middenhandsbeen zodat de duim tegenover de vingers kan staan. Samen met de andere duim- en handspieren maakt dit een stabiele pincetgreep mogelijk.
Pijn & uitstraling
Adductor-triggerpoints kunnen uitstralen over duimbasis, de zijkant van de duim en hand, de duimmuis en de ruimte tussen duim en wijsvinger. Het opponenspatroon ligt vooral aan de handpalmzijde van de duim en als pijnplek aan de duimzijde van de palmaire pols. Deze patronen zijn niet zonder meer afzonderlijk aan alle andere thenarspieren toe te schrijven.
Symptomen & beperkingen
- Een onhandig of vermoeid gevoel in duim en hand tijdens fijne handelingen.
- Moeite met een pen vasthouden, knoopjes sluiten, naaien of kleine voorwerpen pakken.
- Pijn of vermoeidheid bij langdurig smartphonegebruik, knijpen of een fles vasthouden.
Belasting & onderhoudende factoren
Langdurig of krachtig pincetgrijpen, onkruid trekken, schrijven, schilderen en scharen gebruiken worden genoemd. Ook herhaalde fijne duimbewegingen op een telefoon en beroepsmatig druk leveren met de duim kunnen de spiergroep belasten.
Epidemiologie & onderzoek
De geraadpleegde literatuur beschrijft adductor-pollicisproblemen bij frequent gebruik van handheld apparaten en bespreekt samenhang met duimbasisartrose. Het geeft geen afzonderlijke algemene prevalentie voor adductor- of opponens-triggerpoints. Onderzoek of waarnemingen over gewrichtsartrose mogen niet als triggerpointfrequentie worden gelezen.
Klinische context
De Quervain-tenosynovitis, carpale-tunnelsyndroom en duimbasisartrose kunnen overlappen en tegelijk aanwezig zijn. Ook lokale gewrichtsinstabiliteit en neurologische oorzaken zijn relevant; de adductor kan bijvoorbeeld verzwakken bij ulnaire zenuwproblemen.
Hulp bij jouw spierklachten
Herken je klachten en wil je weten wat in jouw situatie past? Bespreek je klachten, beweging en belasting met een fysiotherapeut.
Bekijk onze praktijk en fysiotherapeuten · Meer over myofasciale pijn · Uitleg over dry needling
Bronnen en verdieping
Uitgegeven door Fysio Family. De informatie is bedoeld om klachten en mogelijke samenhang te begrijpen. Een pijnpatroon alleen stelt geen diagnose.
Onderzoek
- Sharan & Ajeesh (2012) — Risk factors and clinical features of text message injuries
Klinische observationele reeks
Onderzoek bij 27 patiënten met klachten na gebruik van mobiele apparaten. Het genoemde aandeel myofasciale klachten betreft samen de adductor pollicis, eerste interosseus en extensor digitorum; het is geen afzonderlijke prevalentie per spier.
Anatomie, pijnpatronen en zelfzorg: bronverwijzingen
Travell, Simons & Donnelly’s Myofascial Pain and Dysfunction, 4e editie.
- In het kort: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1173.
- Anatomie: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1174.
- Functie: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1175.
- Pijn en uitstraling: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1180.
- Klachten: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1181.
- Belasting: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1183.
- Onderzoek: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1181.
- Klinische context: Donnelly, hoofdstuk 39, bronp. 1186.