Spieren & triggerpoints
Zoek op spiernaam of lichaamsgebied. Bekijk de ligging, functie, pijnpatronen en zelfzorg bij afzonderlijke spieren.
Spieren per lichaamsgebied
Abductor digiti minimi (hand)
Deze spier vormt de buitenzijde van de pinkmuis. Hier zie je het afzonderlijk beschreven pijnpatroon van deze spier.
Abductor digiti minimi (voet)
Deze spier vormt de laterale rand van de oppervlakkige voetzool en eindigt aan de kleine teen. Zijn beschreven pijn ligt distaal bij de bal van die teen.
Abductor hallucis
De grote-teenafvoerder vormt de mediale rand van de oppervlakkige voetzool. Het beschreven triggerpointpatroon ligt vooral aan de binnenzijde van de hiel.
Abductor pollicis brevis
De korte duimspreider ligt oppervlakkig in de duimmuis en helpt de duim uit het vlak van de hand bewegen.
Adductor brevis
De korte dijaanvoerder vormt de middelste laag van de aanvoerders. Hij ligt achter longus en pectineus en vóór het grootste deel van magnus.
Adductor hallucis
De grote-teenaanvoerder heeft een schuine en een dwarse kop. Deze ontmoeten elkaar bij de laterale zijde van de grote teen en verbinden meerdere voorvoetstralen.
Adductor longus
De lange dijaanvoerder ligt oppervlakkig aan de binnenzijde van het bovenbeen. Longus en brevis hebben een overlappend beschreven pijnpatroon, maar hun aanhechtingen en diepte verschillen duidelijk.
Adductor magnus
De grote dijaanvoerder is een brede, diepe spier met een aanvoerend en een meer strekkend gedeelte. Zijn proximale triggerpoints kunnen anders verwijzen dan die in het middendeel.
Adductor pollicis
De adductor pollicis vormt een krachtige spier in de ruimte tussen duim en wijsvinger en is belangrijk bij stevig pincetgrijpen.
Anconeus (elleboogspier)
De anconeus is de kleine driehoekige spier aan de achter-buitenzijde van de elleboog. Hij ondersteunt strekken en vooral stabiliteit.
Articularis genu (kniegewrichtsspier)
Articularis genu is een kleine diepe spier bij de voorkant van het kniegewricht. Hij wordt naast de quadriceps besproken vanwege zijn verbinding met het synoviale kapsel.
Biceps Brachii (tweehoofdige armspier)
De biceps brachii buigt de elleboog en draait de handpalm omhoog. Zijn beschreven myofasciale pijn ligt vooral oppervlakkig vóór op de schouder en over de voorkant van de bovenarm.
Biceps femoris (tweehoofdige dijspier)
De tweehoofdige dijspier vormt de laterale hamstring. De lange kop kruist heup en knie; de korte kop begint aan het dijbeen en kruist alleen de knie.
Brachialis (opperarmspier)
De brachialis is een diepe, krachtige elleboogbuiger. Bijzonder aan zijn beschreven uitstralingspatroon is dat de hoofdklacht aan de basis van de duim kan liggen, terwijl de spier in de bovenarm zit.
Brachioradialis (opperarm-spaakbeenspier)
De brachioradialis ligt aan de duimzijde van de onderarm en buigt de elleboog. De spier kan pijn rond de buitenste elleboog en verder naar pols en duimbasis geven.
Buccinator (wangspier)
De buccinator houdt voedsel tussen de kiezen en helpt blazen. Het beschreven pijngebied ligt in en diep achter de wang.
Bulbospongiosus
Bulbospongiosus is een oppervlakkige perineale spier rond de vaginale opening of de bulbus van de penis. Zijn anatomie verschilt per geslacht.
Coccygeus (staartbeenspier)
Coccygeus is een driehoekige diepe spier tegen het sacrospinale ligament. Hij verbindt het zitbeen met heiligbeen en stuit.
Coracobrachialis (ravenbek-armspier)
De coracobrachialis is een kleine spier aan de binnen-voorzijde van de bovenarm. Hij kan voorste schouderpijn geven met een opvallende uitbreiding over de achterkant van arm en hand.
Corrugator supercilii
Deze kleine spier trekt de wenkbrauw naar binnen en omlaag bij fronsen. De geraadpleegde literatuur koppelt lokale spierpijn aan voorhoofdspijn.
Deltoideus (deltaspier)
De deltoideus vormt de ronde contour van de schouder en bestaat uit drie functioneel verschillende delen. Myofasciale pijn blijft vooral rond de schouder zelf en het aangrenzende deel van de bovenarm.
Diafragma (ademhalingsspier)
Het middenrif is de belangrijkste spier voor rustige inademing en vormt de scheiding tussen borst- en buikholte. De beschreven pijnverwijzing verschilt tussen het centrale en perifere deel; een zijsteek is niet specifiek voor het middenrif.
Digastricus (tweebuikige kaakspier)
De digastricus ligt onder de onderkaak en bestaat uit een voorste en achterste spierbuik. Beide delen werken mee aan mondopening en slikken, maar hun pijnuitstraling verschilt duidelijk.
Extensor carpi radialis brevis
Extensor carpi radialis brevis is een afzonderlijke polsstrekker met een eigen aanhechting en afzonderlijk beschreven pijnpatroon.
Extensor carpi radialis longus
Extensor carpi radialis longus is een afzonderlijke polsstrekker met een eigen aanhechting en afzonderlijk beschreven pijnpatroon.
Extensor carpi ulnaris
Extensor carpi ulnaris is een afzonderlijke polsstrekker met een eigen aanhechting en afzonderlijk beschreven pijnpatroon.
Extensor digiti minimi
De pinkstrekker is anatomisch benoemd, maar zijn spierbuik kan sterk met de extensor digitorum verbonden zijn. Zijn klachten worden meestal samen met die van de extensor digitorum besproken.
Extensor digitorum brevis
De korte tenenstrekker ligt boven op de voet en loopt vanaf het hielbeen naar teen 2–4. De mediale grote-teenslip wordt apart als extensor hallucis brevis behandeld.
Extensor digitorum communis
De extensor digitorum communis is één onderarmspier met pezen naar vier vingers. Verschillende vezelbundels kunnen in verschillende vingers pijn geven.
Extensor digitorum longus
De lange strekker van de kleine tenen ligt in het onderbeen, maar zijn pijn wordt vaak op de voetrug en tenen gevoeld. Samen met andere voetheffers helpt hij de voet vrij van de grond te houden.
Extensor hallucis brevis
De korte grote-teenstrekker is de mediale, afzonderlijk herkenbare slip van het dorsale korte-strekkersysteem.
Extensor hallucis longus
De lange grote-teenstrekker loopt vanuit het onderbeen naar het laatste kootje van de grote teen. Zijn pijnpatroon ligt vooral op de bovenzijde van de eerste straal en grote teen, anders dan de plantaire pijn van de lange grote-teenbuiger.
Extensor indicis
De extensor indicis ondersteunt onafhankelijke beweging van de wijsvinger. Zijn beschreven pijn zit vooral op de overgang van pols naar handrug.
Fibularis brevis (korte kuitbeenspier)
De korte kuitbeenspier loopt diep ten opzichte van longus naar de basis van het vijfde middenvoetsbeentje. Zijn beschreven triggerpointpijn ligt vooral rond de buitenenkel.
Fibularis longus (lange kuitbeenspier)
De lange kuitbeenspier loopt achter de buitenenkel en vervolgens onder de voet naar de eerste straal. Hij koppelt daardoor de buitenzijde van het onderbeen aan de mediale voorvoet.
Fibularis tertius (derde kuitbeenspier)
De derde kuitbeenspier loopt vóór de enkel en behoort anatomisch tot het voorste onderbeencompartiment. Daardoor verschilt zijn werking van longus en brevis.
Flexor carpi radialis
Flexor carpi radialis heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Flexor carpi ulnaris
Flexor carpi ulnaris heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Flexor digiti minimi brevis (voet)
Deze korte kleine-teenbuiger ligt in de derde voetzoollaag bij het vijfde middenvoetsbeentje. Zijn triggerpointkaart is in de geraadpleegde literatuur niet goed vastgesteld.
Flexor digitorum brevis
De korte teenbuiger ligt centraal in de oppervlakkige voetzool en trekt via vier pezen aan de middelste kootjes van de kleine tenen.
Flexor digitorum longus
De lange buiger van de kleine tenen kan pijn onder de voorvoet veroorzaken, terwijl de spierbuik in het onderbeen ligt. Het hier beschreven pijnpatroon bereikt de hiel niet.
Flexor digitorum profundus
Flexor digitorum profundus heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Flexor digitorum superficialis
Flexor digitorum superficialis heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Flexor hallucis brevis
De korte grote-teenbuiger ligt rond de eerste straal in de derde voetzoollaag. De mediale en laterale delen begeleiden de sesambeentjes bij het MTP-gewricht.
Flexor hallucis longus
De lange grote-teenbuiger is een krachtige diepe onderbeenspier. Zijn triggerpointpijn ligt onder de grote teen en de kop van het eerste middenvoetsbeentje; pijn bovenop de teen past bij andere beschreven spierpatronen.
Flexor pollicis brevis
De korte duimbuiger ligt in de duimmuis rond het verloop van de lange duimbuigpees. Hij is anatomisch een afzonderlijke spier; bij deze uitleg is geen eigen complete pijnkaart beschikbaar.
Flexor pollicis longus
Flexor pollicis longus heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Frontalis (voorhoofdspier)
De frontalis vormt de voorste spierbuik van de occipitofrontalis. Hij beweegt wenkbrauwen en hoofdhuid en kan lokaal voorhoofdspijn geven.
Gastrocnemius (tweehoofdige kuitspier)
De oppervlakkige kuitspier kruist zowel knie als enkel en levert kracht bij springen en hardlopen. Triggerpoints kunnen zich uiten als kuit- of knieholtepijn, voetboogpijn en soms nachtelijke kuitkrampen.
Gemellus inferior (onderste tweelingspier)
Gemellus inferior is één van de twee kleine tweelingspieren die de pees van obturator internus flankeren.
Gemellus superior (bovenste tweelingspier)
Gemellus superior is één van de twee kleine tweelingspieren die de pees van obturator internus flankeren.
Gluteus maximus (grote bilspier)
De grootste bilspier levert kracht bij opstaan, versnellen en bergop lopen. Zijn triggerpointpijn blijft meestal rond bil, heiligbeen en staartbeen; lange uitstraling door het been is voor deze spier niet kenmerkend.
Gluteus medius (middelste bilspier)
De middelste bilspier houdt het bekken gecontroleerd wanneer je op één been steunt. Er wordt samenhang beschreven met bil-, heup- en lage rugpijn, vooral bij staan en lopen.
Gluteus minimus (kleine bilspier)
De kleinste bilspier ligt diep en kan een opvallend lang pijnpatroon door het been geven. Dat kan op ischias lijken, terwijl een spierpatroon en zenuwwortelklachten ook samen kunnen bestaan.
Gracilis (slanke dijbeenspier)
De gracilis is de oppervlakkige adductor die zowel heup als knie kruist. De beschreven warme, prikkende oppervlakkige pijn verschilt van de diepere liespijn uit andere adductoren.
Iliacus (darmbeenspier)
De iliacus is de waaier in de binnenkant van het bekken die samen met de psoas major de iliopsoas vormt. De klinische pijnpatronen worden grotendeels samen met de psoas major als iliopsoasgroep beschreven.
Iliococcygeus
Iliococcygeus is het meer achterste en hoger gelegen deel van levator ani. Zijn pijnverwijzing wordt vooral in de achterste bekkenbodem beschreven.
Iliocostalis lumborum (lendendeel darmbeen-ribspier)
Het lumbale deel van de iliocostalis vormt de buitenste rugspierkolom boven de bekkenkam. Bovenste lumbale triggerpoints kunnen vooral in de bil worden gevoeld.
Iliocostalis thoracis (borstdeel darmbeen-ribspier)
Het thoracale deel van de iliocostalis ligt aan de buitenzijde van de lange rugstrekkers. Het pijnpatroon hangt sterk af van het betrokken ribniveau.
Infraspinatus (onderdoornspier)
De infraspinatus ligt achter op het schouderblad, maar zijn kenmerkende uitstralingspijn wordt juist diep vóór in de schouder gevoeld. Bewegen en slapen kunnen daardoor flink beperkt zijn.
Intercostales externi (tussenribspieren externi)
Intercostales externi vormt een eigen laag van de borstwand. De anatomie is afzonderlijk beschreven; de hier getoonde klinische pijnkaart is een kaart voor de tussenribspieren samen.
Intercostales interni (tussenribspieren interni)
Intercostales interni vormt een eigen laag van de borstwand. De anatomie is afzonderlijk beschreven; de hier getoonde klinische pijnkaart is een kaart voor de tussenribspieren samen.
Intercostales intimi (tussenribspieren intimi)
Intercostales intimi vormt een eigen laag van de borstwand. De anatomie is afzonderlijk beschreven; de hier getoonde klinische pijnkaart is een kaart voor de tussenribspieren samen.
Interosseus dorsalis 1 (1e dorsale tussenbeenspier)
De 1e dorsale interosseus is een eigen handspier voor gecontroleerde beweging van de wijsvinger.
Interosseus dorsalis 2 (2e dorsale tussenbeenspier)
De 2e dorsale interosseus is een eigen handspier voor gecontroleerde beweging van de middelvinger.
Interosseus dorsalis 3 (3e dorsale tussenbeenspier)
De 3e dorsale interosseus is een eigen handspier voor gecontroleerde beweging van de middelvinger.
Interosseus dorsalis 4 (4e dorsale tussenbeenspier)
De 4e dorsale interosseus is een eigen handspier voor gecontroleerde beweging van de ringvinger.
Interosseus dorsalis I (voet)
De dorsale interosseus I ligt tussen middenvoetsbeentjes 1 en 2 en trekt aan de mediale zijde van teen 2.
Interosseus dorsalis II (voet)
De dorsale interosseus II ligt tussen middenvoetsbeentjes 2 en 3 en trekt aan de laterale zijde van teen 2.
Interosseus dorsalis III (voet)
De dorsale interosseus III ligt tussen middenvoetsbeentjes 3 en 4 en trekt aan de laterale zijde van teen 3.
Interosseus dorsalis IV (voet)
De dorsale interosseus IV ligt tussen middenvoetsbeentjes 4 en 5 en trekt aan de laterale zijde van teen 4.
Interosseus palmaris 1 (1e palmaire tussenbeenspier)
De 1e palmaire interosseus beweegt de wijsvinger naar het midden van de hand en ondersteunt nauwkeurig grijpen.
Interosseus palmaris 2 (2e palmaire tussenbeenspier)
De 2e palmaire interosseus beweegt de ringvinger naar het midden van de hand en ondersteunt nauwkeurig grijpen.
Interosseus palmaris 3 (3e palmaire tussenbeenspier)
De 3e palmaire interosseus beweegt de pink naar het midden van de hand en ondersteunt nauwkeurig grijpen.
Interosseus plantaris I (voet)
De plantaire interosseus I ligt bij middenvoetsbeentje 3 en trekt aan de mediale zijde van teen 3.
Interosseus plantaris II (voet)
De plantaire interosseus II ligt bij middenvoetsbeentje 4 en trekt aan de mediale zijde van teen 4.
Interosseus plantaris III (voet)
De plantaire interosseus III ligt bij middenvoetsbeentje 5 en trekt aan de mediale zijde van teen 5.
Ischiocavernosus
Ischiocavernosus loopt langs het laterale perineum naar het crus van penis of clitoris en heeft vooral een beschreven rol in het erectiemechanisme.
Latissimus Dorsi (brede rugspier)
De latissimus dorsi verbindt een groot deel van rug en bekken met de bovenarm. Zijn uitstralingspijn kan rond de onderste schouderbladpunt liggen of langs de binnenzijde van de arm naar de hand lopen.
Levator Scapulae
De levator scapulae verbindt de bovenste nek met de boven-binnenhoek van het schouderblad. Het beschreven klachtenbeeld valt vaak op door pijn in de nek-schouderhoek en moeite om het hoofd te draaien.
Levatores costarum breves
Levatores costarum breves zijn kleine achterste ribheffers buiten de eigenlijke tussenribruimten.
Levatores costarum longi
Levatores costarum longi zijn kleine achterste ribheffers buiten de eigenlijke tussenribruimten.
Longissimus capitis (langste hoofdspier)
De longissimus capitis loopt diep langs de zijkant van de nek naar het gebied achter het oor. Juist daar concentreert de beschreven pijn zich.
Longissimus thoracis (lange rugspier borst-lendendeel)
Longissimus thoracis is de middelste en omvangrijke kolom van de rugstrekkers. Ondanks de naam worden zijn thoracale én lumbale bundels samen besproken.
Lumbricalis 1 (1e wormvormige handspier)
Lumbricalis1 is een kleine wormvormige spier in de handpalm die naar de wijsvinger loopt. Hij koppelt vooral de diepe buigpees aan het strekapparaat.
Lumbricalis 2 (2e wormvormige handspier)
Lumbricalis2 is een kleine wormvormige spier in de handpalm die naar de middelvinger loopt. Hij koppelt vooral de diepe buigpees aan het strekapparaat.
Lumbricalis 3 (3e wormvormige handspier)
Lumbricalis3 is een kleine wormvormige spier in de handpalm die naar de ringvinger loopt. Hij koppelt vooral de diepe buigpees aan het strekapparaat.
Lumbricalis 4 (4e wormvormige handspier)
Lumbricalis4 is een kleine wormvormige spier in de handpalm die naar de pink loopt. Hij koppelt vooral de diepe buigpees aan het strekapparaat.
Lumbricalis I (voet)
De 1e lumbricalis ligt in de tweede plantaire laag en loopt naar teen 2. Het nummer wordt vanaf de grote-teenrand geteld.
Lumbricalis II (voet)
De 2e lumbricalis ligt in de tweede plantaire laag en loopt naar teen 3. Het nummer wordt vanaf de grote-teenrand geteld.
Lumbricalis III (voet)
De 3e lumbricalis ligt in de tweede plantaire laag en loopt naar teen 4. Het nummer wordt vanaf de grote-teenrand geteld.
Lumbricalis IV (voet)
De 4e lumbricalis ligt in de tweede plantaire laag en loopt naar teen 5. Het nummer wordt vanaf de grote-teenrand geteld.
Masseter (kauwspier)
De masseter levert kracht voor het sluiten van de kaak. Bij een myofasciaal pijnbeeld kan deze spier zowel kaakpijn als pijn rond kiezen, wang of oor geven en de mondopening beperken.
Multifidus
Multifidus is een systeem van korte diepe bundels met een sterke lumbosacrale ontwikkeling. De klinische verwijzing verandert met het betrokken wervelniveau.
Multifidus cervicis (diepe meerspleten nekspier)
De cervicale multifidus bestaat uit korte overlappende bundels tussen nekwervels. Hij helpt kleine bewegingen en gewrichtsstand controleren.
Obliquus capitis inferior (onderste schuine hoofdspier)
Obliquus capitis inferior is één van de vier korte spieren direct onder de schedel. De anatomie en functie zijn afzonderlijk beschreven; de klinische pijnkaart is een groepsbeschrijving.
Obliquus capitis superior (bovenste schuine hoofdspier)
Obliquus capitis superior is één van de vier korte spieren direct onder de schedel. De anatomie en functie zijn afzonderlijk beschreven; de klinische pijnkaart is een groepsbeschrijving.
Obliquus externus abdominis (buitenste schuine buikspier)
De buitenste schuine buikspier is de meest oppervlakkige brede buikspier. Er zijn zowel bovenbuik- als lage buik/liespatronen beschreven.
Obliquus internus abdominis (binnenste schuine buikspier)
De binnenste schuine buikspier ligt onder externus en boven transversus. Zijn vezelrichting en rotatiefunctie verschillen van de oppervlakkige laag.
Obturator externus (buitenste afsluitspier)
De buitenste afsluitspier loopt van de buitenkant van de obturatormembraan diep onder de heup naar het dijbeen. Zijn patroon mag niet worden afgeleid van internus.
Obturator internus (binnenste afsluitspier)
De binnenste afsluitspier vormt een deel van de bekkenwand en draait scherp om het zitbeen naar de heup. Hij heeft in de geraadpleegde literatuur zowel een heup- als bekkenpijncontext.
Occipitalis (achterhoofdspier)
De occipitalis vormt de achterste spierbuik van de occipitofrontalis. Zijn beschreven uitstraling kan van het achterhoofd tot diep achter het oog lopen.
Opponens digiti minimi (voet)
Opponens digiti minimi pedis is een variabele diepe vezelgroep die soms apart van de korte kleine-teenbuiger wordt benoemd.
Opponens pollicis
De opponens pollicis draait het eerste middenhandsbeen zodat de duim tegenover de vingers komt. Zijn beschreven pijn omvat ook een herkenbaar punt aan de pols.
Orbicularis oculi (oogkringspier)
De oogkringspier sluit de oogleden. De geraadpleegde literatuur beschrijft een bijzonder uitstralingsgebied rond de neus, met soms klachten bij lezen.
Palmaris Longus (lange handpalmspier)
De palmaris longus spant vooral het bindweefsel van de handpalm. Zijn beschreven uitstralingspijn onderscheidt zich door een oppervlakkig prikkelend gevoel, in plaats van alleen een diepe spierpijn.
Pectineus (kamspier)
De pectineus is een korte spier hoog in de lies. Zijn beschreven pijn blijft vooral diep onder de liesband en aan de bovenste binnenzijde van het bovenbeen.
Pectoralis major (grote borstspier)
De grote borstspier beweegt de bovenarm en beïnvloedt de hele schoudergordel. Er zijn meerdere triggerpointgebieden met eigen beschreven patronen: van de voorzijde van de schouder tot borst- en armpijn.
Pectoralis minor (kleine borstspier)
De kleine borstspier verbindt de ribben met het schouderblad en helpt de positie van dat schouderblad regelen. Pijnverwijzing en mogelijke druk op nabijgelegen zenuwstructuren zijn verschillende mechanismen die vergelijkbare klachten kunnen geven.
Piriformis (peervormige spier)
De piriformis verbindt het heiligbeen met het dijbeen en ligt dicht bij de grote beenzenuw. Pijn uit triggerpoints moet worden onderscheiden van het bredere, omstreden piriformissyndroom.
Plantaris (voetzoolspier)
De plantaris heeft een kleine spierbuik hoog achter de knie en een opvallend lange dunne pees. Het beschreven triggerpointpatroon zit vooral centraal achter de knie en in het bovenste deel van de kuit.
Platysma (halshuidspier)
De platysma is een dunne spierplaat onder de halshuid. De pijn wordt in de geraadpleegde literatuur vooral als oppervlakkig prikkelend beschreven.
Popliteus (knieholtespier)
De popliteus is een kleine diepe spier achter de knie die de rotatie van de belaste knie controleert. Zijn triggerpointpijn concentreert zich vooral achter het kniegewricht.
Procerus (neuswortelspier)
De procerus vormt dwarse plooien over de neuswortel en werkt bij fronsen. De beschreven pijn ligt over het voorhoofd.
Pronator quadratus
Pronator quadratus heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Pronator teres
Pronator teres heeft een eigen peesverloop en functie binnen de voorzijde van de onderarm.
Psoas major (grote lendenspier)
De psoas major verbindt de lumbale wervelkolom met het bovenbeen en heeft zowel een heup- als rompgerelateerde functie. De geraadpleegde literatuur bespreekt zijn triggerpointpatroon samen met dat van de iliacus, zonder elk uitstralingsgebied strikt aan één van beide toe te wijzen.
Psoas minor (kleine lendenspier)
De kleine lendenspier ligt vóór psoas major en eindigt al in het bekken. Hij kruist het heupgewricht niet en is bij veel mensen afwezig.
Pterygoideus Lateralis (buitenste vleugelspier)
De laterale pterygoïdeus helpt de kaak openen, vooruit bewegen en sturen tijdens kauwen. Een beschreven pijnpatroon ligt diep rond het kaakgewricht en in de regio van de kaakholte.
Pterygoideus Medialis (binnenste vleugelspier)
De mediale pterygoïdeus is een diepe kauwspier aan de binnenkant van de onderkaak. Een pijnlijke spier kan diffuse klachten rond mond, kaakgewricht en oor geven, waardoor de herkomst niet direct duidelijk is.
Pubococcygeus
Pubococcygeus is het voorste pubische deel van levator ani en vormt slingerachtige vezels rond de bekkenuitgangen.
Puborectalis
Puborectalis is de slinger rond het rectum binnen het pubische deel van levator ani. Hij werkt nauw samen met de uitwendige anale sluitspier.
Pyramidalis (piramidespier buik)
Pyramidalis is een kleine, variabel aanwezige driehoekige spier laag in de voorste buikwand. Hij heeft een eigen beperkt pijnpatroon in de geraadpleegde literatuur.
Quadratus femoris (vierkante dijbeenspier)
De quadratus femoris is een korte, rechthoekige heupspier tussen zitbeen en dijbeen. Er zijn letselcasussen beschreven, maar voor deze uitleg is geen klassiek triggerpoint-uitstralingspatroon beschikbaar.
Quadratus lumborum (vierkante lendenspier)
De quadratus lumborum ligt diep in de achterste buikwand en helpt de romp tijdens belasting controleren. Het onderscheid tussen oppervlakkige en diepe vezelgroepen helpt de verschillende lage-rug-, heup- en bilpatronen begrijpen.
Quadratus plantae (vierkante voetzoolspier)
De vierkante voetzoolspier ligt in de tweede laag en trekt aan de pees van de lange teenbuiger. Het beschreven pijnpatroon ligt aan de voetzoolzijde van de hiel.
Rectus abdominis (rechte buikspier)
De rechte buikspier verbindt schaambeen en voorste ribbenboog. Er zijn bovenste, navel- en onderste zones met uiteenlopende verwijzing beschreven.
Rectus capitis posterior major (grote achterste rechte hoofdspier)
Rectus capitis posterior major is één van de vier korte spieren direct onder de schedel. De anatomie en functie zijn afzonderlijk beschreven; de klinische pijnkaart is een groepsbeschrijving.
Rectus capitis posterior minor
Rectus capitis posterior minor is één van de vier korte spieren direct onder de schedel. De anatomie en functie zijn afzonderlijk beschreven; de klinische pijnkaart is een groepsbeschrijving.
Rectus femoris (rechte dijspier)
De rechte dijspier is het deel van de quadriceps dat zowel heup als knie overspant. Het klassieke triggerpointpatroon concentreert zich rond de voorzijde en diepte van de knie.
Rhomboideus major (grote ruitvormige spier)
Rhomboideus major ligt onder de trapezius en verbindt de wervelkolom met het schouderblad. De bron onderscheidt zijn aanhechting, terwijl pijnpatronen samen worden beschreven.
Rhomboideus minor (kleine ruitvormige spier)
Rhomboideus minor ligt onder de trapezius en verbindt de wervelkolom met het schouderblad. De bron onderscheidt zijn aanhechting, terwijl pijnpatronen samen worden beschreven.
Rotatores breves
De rotatores breves behoren tot de kortste en diepste rugspierbundels; zij overspannen één wervelniveau(s).
Rotatores cervicis breves
De korte cervicale rotatores zijn de een-segmentale variant van de diepste nekspierbundels.
Rotatores cervicis longi
De lange cervicale rotatores zijn de twee-segmentale variant van de diepste nekspierbundels.
Rotatores longi
De rotatores longi behoren tot de kortste en diepste rugspierbundels; zij overspannen twee wervelniveau(s).
Sacrococcygeus ventralis
Sacrococcygeus ventralis is een kleine variabele spier- en peesstructuur aan de voorzijde van de overgang tussen heiligbeen en stuit.
Sartorius (kleermakersspier)
De sartorius loopt als een smalle band schuin over het bovenbeen naar de binnenzijde van de knie. Zijn beschreven triggerpointklachten zijn relatief oppervlakkig en kunnen scherp of tintelend aanvoelen.
Scalenus anterior (voorste scheve halsspier)
Scalenus anterior verbindt de zijkant van de nek met de ribben. Zijn ligging en bijdrage aan ademhaling onderscheiden hem van de andere scalenen.
Scalenus medius (middelste scheve halsspier)
Scalenus medius verbindt de zijkant van de nek met de ribben. Zijn ligging en bijdrage aan ademhaling onderscheiden hem van de andere scalenen.
Scalenus minimus (kleinste scheve halsspier)
De scalenus minimus is een variabele extra spier; hij is niet bij iedereen aanwezig en ligt diep bij de eerste rib en longtop.
Scalenus posterior (achterste scheve halsspier)
Scalenus posterior verbindt de zijkant van de nek met de ribben. Zijn ligging en bijdrage aan ademhaling onderscheiden hem van de andere scalenen.
Semimembranosus (halfvliezige spier)
De halfvliezige spier is de dieper gelegen mediale hamstring. Hij heeft een brede proximale peesplaat en uitgebreide distale verbindingen rond de mediale knie.
Semispinalis capitis (halfdoornspier van het hoofd)
Een brede diepe nekspier die de schedel met de lage nek en bovenrug verbindt. Bovenste en middelste delen hebben verschillende hoofdpijnpatronen.
Semispinalis cervicis (halfdoornspier van de nek)
De semispinalis cervicis verbindt nek- en borstwervels en bestuurt vooral de nek, niet rechtstreeks de schedel.
Semispinalis thoracis (halfdoornspier borstregio)
Semispinalis thoracis vormt de oppervlakkigste laag van de diepe rugspieren in de borstregio.
Semitendinosus (halfpezige spier)
De halfpezige spier vormt de oppervlakkige mediale hamstring. Zijn lange eindpees loopt naar de binnenzijde van het scheenbeen.
Serratus anterior (voorste zaagspier)
De serratus anterior houdt het schouderblad tegen de borstkas en begeleidt het tijdens armbewegingen. Triggerpointpijn kan daardoor juist als borstwand-, arm- of schouderbladpijn worden ervaren.
Serratus posterior inferior (onderste achterste zaagspier)
De onderste achterste zaagspier ligt bij de overgang van borst- naar lendenwervelkolom. Zijn beschreven pijn is vooral een zeurende flankklacht.
Serratus posterior superior (bovenste achterste zaagspier)
De bovenste achterste zaagspier ligt diep onder de rhomboidei bij het bovenste schouderblad. Zijn kenmerkende beschreven pijn wordt diep onder het schouderblad gevoeld.
Soleus (scholspier)
De soleus ondersteunt staan, lopen en de kuitspierpomp. Zijn triggerpoints kunnen diepe kuitpijn en pijn langs de achillespees of onder de hiel geven, soms met beperking van enkelbuiging bij een gebogen knie.
Sphincter ani externus (uitwendige anale sluitspier)
De uitwendige anale sluitspier is dwarsgestreept en staat gedeeltelijk onder willekeurige controle. Hij moet worden onderscheiden van de gladde interne sfincter.
Sphincter ani internus (inwendige anale sluitspier)
De inwendige anale sluitspier is glad spierweefsel in de anale wand. Hij is anatomisch relevant, maar valt buiten het klassieke dwarsgestreepte-triggerpointmodel.
Spinalis thoracis (doornspier borstregio)
Spinalis thoracis is de meest mediale lange rugstrekker en verbindt doornuitsteeksels in de borstregio.
Splenius Capitis (hoofdriemspier)
De splenius capitis is een achterste nekspier die de beweging van hoofd en nek ondersteunt. Het kenmerkende beschreven pijngebied ligt hoog op de kruin, ook als de betrokken spier zelf in de nek zit.
Splenius Cervicis (nekriemspier)
De splenius cervicis verbindt de bovenste borstwervels met de bovenste nek. Er zijn een hoger pijnpatroon richting oog en achterhoofd en een lager patroon aan de nekbasis beschreven.
Sternalis (borstbeenspier)
De sternalis is een anatomische variant die lang niet iedereen heeft. Ondanks de soms kleine omvang wordt een uitgesproken diepe pijn rond of achter het borstbeen beschreven.
Sternocleidomastoideus (schuine halsspier)
De sternocleidomastoideus stuurt de stand en beweging van het hoofd. De sternale en claviculaire kop hebben afzonderlijke uitstralingspatronen; de hoofdklacht ligt lang niet altijd in de nek zelf.
Subclavius (ondersleutelbeenspier)
Een kleine spier tussen de eerste rib en het sleutelbeen met een relatief groot beschreven uitstralingsgebied. Anders dan de grote borstspier kan hij vooral de duimzijde van onderarm en hand bereiken.
Subcostales (onderribspieren)
De subcostale spieren liggen aan de binnenzijde van de achterste borstkas en overspannen meer dan één ribruimte.
Subscapularis (onderschouderbladspier)
De subscapularis ligt aan de ribzijde van het schouderblad en is de grootste rotatorcuffspier. Zijn pijn kan juist achter de schouder worden gevoeld en soms als een band rond de pols verschijnen.
Supinator (supinatorspier)
De supinator is een diepe onderarmspier die de handpalm omhoog draait. Het beschreven pijnpatroon concentreert zich vaak rond de laterale elleboog en de ruimte tussen duim en wijsvinger.
Supraspinatus (bovendoornspier)
De supraspinatus ligt boven de schouderbladkam en helpt de arm te heffen. Het beschreven pijnpatroon ligt vooral aan de buitenkant van de schouder en kan doorlopen naar de buitenzijde van de elleboog.
Temporalis (slaapspier)
De temporalis is een waaiervormige kauwspier aan de zijkant van de schedel. De spier kan bij myofasciale klachten herkenbare pijn naar de slaap en bovenste tanden projecteren.
Tensor fasciae latae
De tensor fasciae latae ligt vooraan aan de buitenzijde van de heup en werkt via de tractus iliotibialis. Zijn pijnpatroon is korter dan dat van de gluteus minimus: vooral heup en voor-buitenzijde van het bovenbeen.
Tensor vastus intermedius
Dit afzonderlijk beschreven spiertje ligt tussen vastus lateralis en intermedius. De anatomie is beschreven; voor deze uitleg is geen eigen onderbouwde triggerpointkaart beschikbaar.
Teres Major (grote ronde armspier)
De teres major werkt nauw samen met de latissimus dorsi bij trekken en de arm naar binnen draaien. Bij zijn beschreven myofasciale klachten valt vooral scherpe achterste schouderpijn tijdens reiken op.
Teres Minor (kleine ronde armspier)
De teres minor is een kleine rotatorcuffspier achter de schouder. Zijn pijngebied kan opvallend klein en diep zijn, waardoor iemand vooral één plek achter op de schouder aanwijst.
Tibialis anterior (voorste scheenbeenspier)
De tibialis anterior tilt de voet op en helpt hem gecontroleerd neerzetten. Het beschreven patroon ligt vooral aan de voor-binnenzijde van de enkel en bovenop de grote teen.
Tibialis posterior (achterste scheenbeenspier)
De tibialis posterior ligt diep in de kuit en helpt de belaste voet stabiliseren. Triggerpointpijn kan vooral rond de achillespees en voetzool zitten, terwijl een peesaandoening apart moet worden beoordeeld.
Transversus abdominis (dwarse buikspier)
De dwarse buikspier vormt de diepste brede buiklaag en werkt via zijn peesbladen samen met de rugfascie en overige rompspieren.
Transversus perinei profundus (diepe dwarse perineale spier)
De naam voor een diepe perineale structuur waarvan de klassieke beschrijving als afzonderlijke dwarsgestreepte spier ter discussie staat.
Transversus perinei superficialis
Transversus perinei superficialis is een afzonderlijke dwarse perineale laag die het centrale perineale lichaam helpt dragen.
Transversus thoracis (dwarse borstspier)
Deze waaiervormige spier ligt achter het borstbeen. Hij behoort tot de binnenste voorste borstwand, maar is geen tussenribspier.
Trapezius (monnikskapspier)
De trapezius verbindt de nek en borstkas met de schoudergordel. De bovenste, middelste en onderste vezels hebben verschillende functies en kunnen daardoor verschillende pijnpatronen geven.
Triceps brachii (driehoofdige armspier)
De triceps strekt de elleboog en werkt daarbij samen met de anconeus. De verschillende koppen hebben uiteenlopende pijnpatronen: achterste schouderpijn, lokale elleboogpijn en soms uitstraling tot in ringvinger en pink.
Vastus intermedius (middelste brede dijspier)
Vastus intermedius is de diepe, middelste kniestrekker. Hij ligt vrijwel volledig onder rectus femoris en wordt in de geraadpleegde literatuur vooral met pijn midden vóór in het bovenbeen verbonden.
Vastus lateralis (buitenste brede dijspier)
De buitenste brede dijspier is een omvangrijke kniestrekker met meerdere beschreven triggerpointzones langs het bovenbeen. Het pijnpatroon is daarom niet één enkele plek.
Vastus medialis (binnenste brede dijspier)
De mediale brede dijspier ligt aan de binnenzijde van het bovenbeen en draagt bij aan kniestrekking en controle van de knieschijf. Pijn en motorische remming hoeven volgens de geraadpleegde literatuur niet tegelijk aanwezig te zijn.
Zygomaticus major (grote jukbeenspier)
De grote jukbeenspier trekt de mondhoek omhoog bij glimlachen. De beschreven pijn loopt juist richting neus en voorhoofd.